WORD VRIEND

Moment voor een monument

Drie Hoefijzers project

VAN GERSTENAT NAAR WOONGENOT

Herbestemming van het enige overgebleven bierdepot in Den Haag

De geschiedenis van De Drie Hoefijzers in Den Haag begint in Breda. Daar was in de 17de eeuw een hoefsmid gevestigd in de Boschstraat. Als een paard een hoef verloor, had hij er nog maar drie over. Daarom noemde de hoefsmid zijn smederij De Drij Hoefijssers. Wat merkwaardig was, want het ging hem natuurlijk vooral om die ene die hij erop mocht zetten. Dat deze naam nog eeuwen zou voortleven, was te danken aan de tegenover de smidse gelegen brouwerij Den Boom, die in 1628 de naam ‘De Drie Hoefijzers’ overnam. Deze brouwerij groeide uit tot een van de grootste bierproducenten van Nederland.

Rijke architectuur

Zoals alle landelijke bierbrouwerijen had ook De Drie Hoefijzers depots in diverse steden. Het grootste verrees in 1913 in Den Haag: een stijlvol complex op de hoek van de Dintelstraat en de Zwetstraat. Ontworpen in rijke laatnegentiende-eeuwse ‘overgangsarchitectuur’ door architectenbureau K. Meijer & H.E.M. Rademaker en gebouwd in opdracht van F. Smit van Waesberghe, directeur van de brouwerij. Dit is het enige overgebleven depot van De Drie Hoefijzers en tevens het enige nog aanwezige bierdepot in Den Haag. Schaars erfgoed dus.

In dergelijke depots werd het bier niet gebrouwen, maar gekoeld opgeslagen voor verdere distributie. Dat koelen is een verhaal apart, want er waren in die tijd nog geen koelinstallaties. Op de eerste etage bevonden zich betonnen bakken, waarin grote ijsblokken werden gestort. Via ruime luchtschachten zakte de koude lucht naar beneden, waardoor de bierfusten koel bleven. De bakken bevinden zich nog altijd in het pand, dat behalve de koelruimten ook nog een kantoorvilla en een paardenstal omvat. De rijtuigenstalling is enkele jaren geleden helaas gesloopt, evenals de muur tussen het kantoor en de paardenstal.

Fusie en verval

Directeur F. Smits van Waesberghe, telg van een roemrijke Brabantse brouwersfamilie, was een man van goede smaak en gevoel voor couleur locale. Dat blijkt niet alleen uit het fraaie, inmiddels tot rijksmonument verklaarde brouwhuis in Breda. Ook het Haagse bierdepot ademt een klassenbewustzijn dat kenmerkend is voor de industriebaronnen uit het begin van de 20ste eeuw. De elegante overgangsarchitectuur, de glas-in-loodramen en de prachtige tegeltableaus van de Haagse Plateelbakkerij Rozenburg op de hoekgevel en boven de staldeur herinneren ons aan een tijd, waarin ornamentiek een uitdrukkingsvorm was van ondernemerssucces (hoewel menige arbeider toen anders tegen die rijkdom aankeek).
Vanwege de cultuurhistorische- en zeldzaamheidswaarde is het object in 2007 tot gewmeentelijk monument verheven, maar dat was nog geen garantie tot behoud. Toen de Drie Hoefijzers in 1968 fuseerde met de Rotterdamse brouwerij Oranjeboom, verviel de functie van het bierdepot. Er trok een houthandelaar in en later een autosloperij en daarna kwam het leeg te staan.

Appartementen

Om verder verval te voorkomen verwierf Stadsherstel in 2017 het gehele complex ten behoeve van herbestemming. In de villa worden zes appartementen gerealiseerd met veel duurzame voorzieningen, zoals warmtepompen, mechanische ventilatie met terugwinning, vloerverwarming, extra isolatie enz. Het koelhuis wordt bestemd voor horeca en bedrijfsruimte en voor de stallen zijn nog plannen in voorbereiding. Het middenterrein tussen de drie gebouwen wordt als gemeenschappelijke tuin ingericht, zodat het geheel de uitstraling van een hofje krijgt. Op de naastgelegen parkeerplaats heeft de gemeente ook een woonbestemming gepland. Een stedenbouwkundige studie moet er borg voor staan dat oud en nieuw op verantwoorde wijze geïntegreerd worden.
Waar meer dan een halve eeuw geleden het gerstenat koel werd gehouden, komt er nu woongenot en blijft een uniek monument voor Den Haag behouden.

Door:
Piet Bogaards

Julianakerk: kruistocht tegen Jodenhaat

Zijn preken in de Julianakerk van Transvaal trokken duizenden mensen. Zijn kruistocht tegen de groeiende Jodenhaat in de 30-er jaren vond weerklank tot ver buiten de gemeente. Maar na mei 1940 kon een reactie van de bezetter niet uitblijven. Dominee Dirk Arie van den Bosch werd gearresteerd en opgesloten in het Oranjehotel op Scheveningen. Het verhaal van de stichter van de Julianakerk is tragisch, maar zijn erfenis leeft voort in vrede en vrijheid.

Een van de consequenties van de stadsuitbreiding aan het begin van de twintigste eeuw was de groeiende behoefte aan kerken. In Transvaal verrees in 1913 een gereformeerde kerk aan de Kockstraat en in 1914 aan de Brandtstraat een katholieke. Binnen de Hervormde Gemeente was het dominee Dirk Arie van den Bosch die zich sterk maakte voor een nieuw godshuis.

Welbespraakt wist hij de nodige gelden te verwerven, onder andere als voorzitter van de Eén-uur-loon-bond waarvan de leden één uur loon per week afstonden voor de bouw van de kerk. Ook het koningshuis, waarmee de dominee een goede relatie onderhield, doneerde, zodat hij architect Gijs van Hoogevest de opdracht kon geven tot het ontwerpen van een kerk aan de Kempstraat.

Op 20 september 1924 legde prinses Juliana de eerste steen en in 1926 was de bouw voltooid. Een jaar later deed Juliana haar belijdenis in de kerk. In 1934 werd er na het overlijden van koningin-moeder Emma een rouwdienst opgedragen.

Het getal van het beest

Het jaar daarvoor was Adolf Hitler aan de macht gekomen in Duitsland. Dominee Van den Bosch begon in zijn preken kritiek op de nazi’s te uiten. Zijn toon werd steeds feller, de steeds kerk voller. Zijn kruistocht tegen de groeiende Jodenhaat vond weerklank tot ver buiten de gemeente. In 1940 publiceerde hij zelfs een boek met de titel 666 Het getal eens menschen, waarin hij de ontmenselijking aanklaagde die gaande was. In het bijbelboek Openbaringen wordt 666 ‘het getal van het beest’ genoemd.

Daarmee was de Duitse maat vol. De predikant had een veel te grote invloed op veel te veel mensen en al op 11 december 1940 werd hij opgepakt. Na zijn verblijf in het Oranjehotel kwam hij terecht in kamp Amersfoort, waar hij onverstoorbaar doorging met kerkdiensten en bijbellessen.

Tot hij niet meer kon. Op 20 maart 1942 stierf dominee Van den Bosch op 57-jarige leeftijd aan uitputting en ontbering. Postuum werd hij geëerd met het Verzetskruis en een herinneringsraam in de Duinzichtkerk.

Te mooi om te slopen

Na de oorlog bleef de Julianakerk haar functie nog enkele decennia behouden. Maar de samenleving seculariseerde en een steeds groter deel van de duizend zitplaatsen bleef ‘s zondags leeg. In januari 1997 vond de laatste eredienst plaats en in 1998 werd de kerk verkocht aan de gemeente.

De architectuur van het gebouw in de stijl van de Amsterdamse School was echter van te grote betekenis om het te slopen en daarom werd het in 2004 doorverkocht aan Stadsherstel. Door de torenklok op 12 uur te zetten, gaf toenmalig burgemeester Deetman het startsein voor de verbouwing: een teken dat de kerk niet meer in gebruik was.

In het atrium op de begane grond is nu een restaurant gevestigd, in de ruimten er omheen vonden welzijnsorganisaties en een kunstenaarscollectief onderdak. Dominee Van den Bosch zou er vrede mee hebben gehad.

Door:
Piet Bogaards

EEN MOOI HAVENHOOFDJE

EEN MOOI HAVENHOOFDJE

Wie vanaf de Rijswijkseweg de Goudriaankade ingaat, vindt aan het einde een klein, opvallend gebouwtje op de kop van de Laakhaven. Met een torentje boven de ingang, kantelen langs de dakrand  en daarachter een vierkante uitkijktoren lijkt het wel een kasteeltje van een alleenstaande ridder in ruste. Maar het is gebouwd als havenkantoor. Een architectonisch meesterwerkje van A.A.Schadee, de stadsarchitect van Den Haag die onder andere ook het Openbaar Gemeentelijk Slachthuis, de Elektriciteitsfabriek en de Tramremise aan de Parallelweg ontwierp.

Goudriaankade 90 is een van de schaarse overblijfselen van de industriële overgangsarchitectuur die begin 20ste eeuw veel in Den Haag te vinden was. De oorspronkelijke functie van het gebouw is nog altijd aan de details af te lezen. De aanduiding Havenkantoor staat op een natuurstenen plaat boven het lessenaarsdak van de uitgebouwde ingang. En alsof dat nog niet duidelijk genoeg is, werd tegen het torentje ook nog een in steen gehouwen scheepsboeg ingemetseld. Links en rechts daar boven zijn twee ingekleurde schilden met het Haagse ooievaarswapen aangebracht en het torentje wordt bekroond met een decoratieve windwijzer.

Eens keek de havenmeester van achter de grote toogramen uit over het komen en gaan van schepen op de Trekvliet en op de rond 1900 aangelegde Laakhaven. Maar de tijd dat er aan alle kanten vrij uitzicht was is lang voorbij. Als een tambour-maître van een verslagen huurleger heeft het deftige koplopertje van Schadee een optocht van inspiratieloze bedrijfsgebouwen aan de Goudriaankade en een al even nietszeggende rij flatwoningen aan de Swammerdamstraat achter zich aan gekregen.

Te warm of te koud

De Laakhaven was hard nodig, want in de 19de eeuw had de industrialisatie in Den Haag een hoge vlucht genomen en de ondiepe, smalle grachten van de stad konden het toenemende vaarverkeer niet meer aan. Na vele jaren discussie tussen het bedrijfsleven en het gemeentebestuur werd in 1898 begonnen met de aanleg van de Laakhaven en vele ondernemingen vestigden zich langs de kades, zoals de J.B.van Heijst radiatoren- en ramenfabriek, de Hus meelfabriek, Van der Doel Fray verffabriek, Boes Stoommeubelenfabriek en uiteraard de talloze beurtvaartondernemingen. Maar het aanmeren in de Laakhaven was niet gratis en de havenmeester was er om de haven- en liggelden te innen. Het havenkantoor behield zijn functie tot de gemeente in 1992 besloot om het Havenbedrijf te vestigen aan de Jupiterkade. En toen zag M.Voorhoeve, destijds directeur van Stadsherstel, zijn kans schoon om het object, waar zijn oog al enkele jaren eerder op gevallen was, te verwerven.

Het afdanken van het havenkantoor was niet zonder reden, want het gebouwtje verkeerde in slechte staat. ’s Winters was het nauwelijks te verwarmen en inde zomer was het er niet uit te houden van de hitte. ‘Er is een te harde steensoort gebruikt met een verkeerd soort cement’ aldus Voorhoeve in de Haagsche Courant van 11 februari 1992. In grote delen van de muren was het voegwerk eruit gevallen en sloeg het vocht naar binnen, waardoor de staalconstructie van het gebouw ging doorroesten. Stadsherstel bracht het pand weer in perfecte staat  en daarmee bleef de kop van de Laakhaven zijn fraaie aangezicht houden en heeft Den Haag er een uniek éénkamerhotel bij.

Door:
Piet Bogaards

Elandstraat 12: het heilig huisje voorbij

Architectuur is als religie. Er zijn enkele wegbereiders en vele volgelingen. Stijlen worden gekopieerd, kleur- en materiaalkeuzes nagevolgd en er ontstaat een tijdgebonden idioom waarbinnen elke architect van dat moment veilig zijn steentje bij kan dragen. Slechts weinig architecten hebben de moed en het talent om de heilige huisjes van hun tijd omver te schoppen en alleen hun eigen intuïtie te volgen.

Jan de Quack was zo’n architect, althans, als het om zijn eigen huis ging. Beroepsmatig werkte hij bij het roemruchte architectenbureau van Pierre Cuypers, halfgod van de neogothiek en bouwer van onder andere het Rijksmuseum, het Centraal Station in Amsterdam en vele kerken. In de Roomse burelen van Cuypers zal weinig ruimte voor vernieuwing geweest zijn.Maar toen Jan de Quack in 1902 het huis Elandstraat 12 in Den Haag kocht, begon hij zich uit te leven en kwam de ware architect in hem naar boven. Met als resultaat een uniek woonhuis, dat dankzij de restauratie door Vereniging Hendrick de Keyser een aanwinst voor het Haagse, monumentale erfgoed genoemd kan worden. En dan te bedenken dat het huis in 2016 in deplorabele staat verkeerde, na dertig jaar onbewoond en verwaarloosd te zijn geweest. Een bijkomend voordeel was wel, dat door het uitblijven van renovaties nog vele authentieke details terug gevonden konden worden.

Jan de Quack noemde zichzelf geen architect, maar ‘sierkunstenaar’, wat we tegenwoordig decorateur zouden noemen. Tijdens een lezing in 1908 zei hij over decoratieve kunst: ‘De behoefte er aan, geboren in den menschelijken geest om datgene, wat men eert, hoogacht, aanbidt, mooier te maken, te versieren, te streelen met kleuren en lijnen, te veredelen en te verbeteren’.
Dat mooier maken heeft hij gedaan, in elke ruimte van het huis. Met geschilderde eikenhout- en marmerimitaties, zelf ontworpen houtsnijwerk, terrazzovloeren en zelfs bladgoudversieringen in de kamer en suite op de beletage. Om ruimte te creëren verplaatste hij de trap naar een traptoren die hij aan de tuingevel liet bouwen. De stalen kolommen daarvan liet hij in het zicht, heel gedurfd in die tijd. Ook liet hij een etensliftje aanbrengen tussen de keuken en de eetkamer. Het hele huis was een ‘épreuve d’artiste’ waarmee Jan de Quack wilde laten zien wat voor een architect hij werkelijk was.

Het Jan de Quackhuis zal de functie krijgen van Museumhuis. Een huis dat laat zien hoe er in vroeger tijden gewoond werd. Wanneer het geopend wordt, hangt van de coronamaatregelen af. Tot die tijd is het mogelijk om een overnachting in het bijzondere huis te boeken via de website van Vereniging Hendrick de Keyser.

Door:
Piet Bogaards

Paviljoensgracht 133: het water- en vuurhuisje

Ooit had men het huisje een lelijk, wit jasje gegeven. En alsof hij het van zich af wou schudden, vielen in de loop der jaren steeds meer delen er vanaf, waardoor de schoonheid van het oorspronkelijke, 17de eeuwse metselwerk weer zichtbaar werd. Op basis van dit metselwerk maakte architect Peter Drijver een tekening van de trapgevel met het originele metselschema. Die gevel is het enige authentieke dat behouden zal blijven. Renovatiewoede van de Wijk Ontwikkelings Maatschappij (WOM) die het pandje van de gemeente had gekocht, leidde ertoe dat in de nieuwbouw achter de gevel geen historisch detail meer te vinden is. Toen echter ook de voorgevel achter een nieuwe laag goedkoop pleisterwerk dreigde te verdwijnen, kwamen er protesten van enkele stakeholders in de omgeving (onder andere Michel Voorhoeve, Wijkoverleg Het Oude Centrum, S.O.S. Den Haag).

Inmiddels heeft Stadsherstel Den Haag besloten om het pand te verwerven en de gevel in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Daarmee wordt een schaars stukje historisch straatbeeld gered. Samen met o.a. het er tegenover gelegen, 17de eeuwse Spinozahuis en het Heilige Geest Hofje is Paviljoensgracht 133 beeldbepalend voor dit historische stukje Den Haag, dat na het verdwijnen van de prostitutie in de Doubletstraat tot de parels van de stad zal behoren.

De strijd tussen kille renovatie en een warm hart voor restauratie past wel bij dit pandje, want het is tot 1960 in gebruik geweest als water- en vuurwinkel. Tot halverwege de vorige eeuw kwam er in de Haagse huizen geen warm water uit de kraan. In een teil of emmer kon je er voor één of twee cent bij de waterstoker warm water halen voor het bad, voor de koffie en de thee.  Maar ook smeulende kooltjes voor de voetenstoof, petroleum voor de lampen en de Aladdin kachel en later ook kolen. Er was zelfs een heuse bezorgdienst. Op maandag (wasdag) en zaterdag (baddag) ging de waterstoker met een kar langs de klanten om heet water te bezorgen, dat in een grote ketel met kolen op temperatuur gehouden werd. Pas toen het stadsgas werd aangelegd en er gasfornuizen, geisers en gaskachels kwamen, was het afgelopen met de water- en vuurwinkel.

Wij tellen onze knopen (en stenen) en zijn verheugd dat met Paviljoensgracht 133 in elk geval het historische stadsbeeld behouden zal blijven.

Door:
Piet Bogaards

Uitgebluste brandweerkazerne herleeft

Wie rond 1900 het politiebureau aan de Keizerstraat van Scheveningen betrad, zal niet bepaald onder de indruk zijn geweest. In een oud, vervallen pand zaten veelal oudere, slecht geschoren mannen. De één repareerde klokken, de ander fietsen, of schoenen. Bijverdienen moest wel, want een diender verdiende 50 gulden per maand. Daarvoor draaide hij dagdiensten van 11,5 uur en nachtdiensten van 13,5 uur.

Ook de vrijwillige brandweer stelde nog niet veel voor, al was na de grote brand van het Kurhaus in 1886 de vrijwillige brandweer vervangen door een beroepscorps. In de brandweerpost aan de Prins Willemstraat bevond zich één door paarden getrokken stoomspuit.

Inmiddels begon Scheveningen zich te ontwikkelen van vissersdorp tot internationale badplaats. Vanaf 1900 werden het Statenkwartier, de Archipel en de Belgische wijk gebouwd. Het aantal branden nam toe, evenals het aantal politietaken. Er was de overlast op zomerse stranden en ook toen bezorgde de straatjeugd de politie handen vol werk. Berucht was de ‘Bloedpoort’, eind Keizerstraat, bij de Marcellistraat. Daar woonden de grootste vechtersbazen en dronkaards. In 1928 verhuisden zij naar de Magneetstraat (thans Ducdalfstraat), maar ook daar kregen zij het veelvuldig aan de wapenstok met de politie.

In 1903 vindt een reorganisatie van de politie plaats. Het aantal agenten wordt verdubbeld en de arbeidsomstandigheden worden verbeterd. Een jaar later besluit het College van B&W om brandweer en politie onder te brengen in één grote, nieuw te bouwen kazerne. Stadsarchitect Adam Schadee krijgt de opdracht om een ontwerp te maken en tekent het fraaie gebouw zoals het zich nu nog als Rijksmonument aan de Duinstraat bevindt.

In 1921 worden politie en brandweer in één dienst samengevoegd. Politiemensen moesten ook eenvoudige blustaken overnemen, tot grote verontwaardiging van het brandweercorps.

De hoofdcommissaris die leiding moest geven aan deze reorganisatie was de omstreden François van ’t Sant. Of hij zoals beweerd 4000,- per jaar wijzer is geworden van de reorganisatie is niet zeker, maar een feit is wel dat Van ‘t Sant eind jaren 20 voor zichzelf de villa ‘Windekind’ liet bouwen aan de Nieuwe Parklaan. De brandweer heeft hij echter grote diensten bewezen. De paarden gingen de kazerne uit en de gemotoriseerde brandweerwagens kwamen erin, evenals de Magirus brandladderwagen. Echter, in de Tweede Wereldoorlog bleken de Duitsers niet alleen fietsen te stelen. Al dat mooie brandweermaterieel ging naar de brandende steden in Duitsland.

Na de oorlog kwam de kazerne, die in het sperrgebied had gelegen, weer vol in bedrijf. Nieuwe tijden braken aan, waarin o.a. het Palais de Danse, het Kurhaus Cabaret en het Catshuis afbrandden, de Stones-fans het Kurhaus ‘verbouwden’, de nozembendes elkaar bevochten en de Portugese kroonjuwelen uit het Museon werden gestolen.

Inmiddels heeft de brandweer een nieuwbouw onderkomen gekregen in de Duinstraat en zal ook de politie op termijn de kazerne verlaten. Het rechter deel is aangekocht door Stadsherstel Den Haag, die er luxe appartementen heeft ontwikkeld. Een respectvolle redding van een monument dat zoveel redders onder zijn dak heeft gehad.

Door:
Piet Bogaards

Verdieping:
Dossier Duinstraat,
Kroniek van een Scheveningse Politie & Brandweerpost
Karel Wagemans, 2008

Oude Molstraat:

Van Duinpad tot Haags DNA

‘Twee stenen cameren bij die stinckput’. Zo werd de Oude Molstraat ter hoogte van nr. 20 aangeduid in een officieel document uit 1489. De straat behoort samen met de Papestraat,  Molenstraat, Nobelstraat en het Noordeinde tot de eerste straten van de nederzetting Den Haag. Aanvankelijk waren het niet meer dan duinpaden rondom het grafelijk hof, waarbij het Noordeinde de verbinding met Scheveningen vormde.
Maar de ligging van de straten was gunstig en zo kon dit vierkant bezuiden het Buitenhof zich ontwikkelen tot wat Gijsbert de Cretser in 1711 in zijn Beschrijving van ’s-Gravenhage ‘de voorname straten van den Hage’ noemde.
In de 15de eeuw was de Oude Molstraat nog een achterpad waar de erven van voorname huizen aan het Noordeinde en de Nobelstraat op uit kwamen. Pas in de 16de eeuw werden er woningen gebouwd, waar ambachtslieden en lagere ambtenaren hun intrek namen. Vanaf 1592 duikt de naam ‘Molstraat’ op, vermoedelijk vernoemd naar het huis De Mol dat dichtbij ’t Goude Hooft’ aan de Groenmarkt stond.
In de 17de eeuw, toen de regeringszetel van de provincie Holland en de landelijke regeringsorganen zich definitief in Den Haag hadden gevestigd, nam de bevolking sterk toe. Er ontstond behoefte aan extra woonruimte. Veel woningen werden gesplitst of uitgebouwd en rijke edellieden lieten grote huizen rondom het Binnenhof bouwen.

Open keuken

De kloof tussen rijk en arm bevond zich destijds vooral op de erfgrenzen van hun woningen en dat leidde niet zelden tot conflicten. Zo wilde goudsmid Jan van Biesen, gevestigd op Oude Molstraat nr. 20, zijn woning aan de tuinkant verhogen. Zijn buurman Pieter van den Lande op nr. 22-24 had dit al gedaan en dus sprak hij met hem af dat hij diens buitenmuur als gezamenlijke muur mocht gebruiken in ruil voor een zilveren beker. De volgende eigenaar van nr. 22-24 echter, Diederik van Beieren van Schagen, heer van Goudriaan (die in de Nobelstraat woonde met zijn achteruitgang aan Oude Molstraat 22-24), had hier geen boodschap aan en liet zijn muur tijdens een grootscheepse verbouwing deels afbreken. Met als resultaat dat Van Biesen over een wel zeer open keuken beschikte.
In de 18de  eeuw werden de woningen op nr. 20-24 door velen bewoond. Tot de eigenaren en huurders behoorden neringdoenden, huisjesmelkers, kamerdienaren, boekverkopers, schoolmeesters, koetsiers en talloze anderen. Oude Molstraat 30-32, oorspronkelijk een turf- en houtschuur, werd eind 17e eeuw door een speculerende loodgieter verbouwd tot twee ruime woningen. Voorname families, zoals Van Renesse en Dellon, bewoonden generaties lang nr. 32, terwijl nr. 30 verhuurd werd. In 1747 liet Adriaan Wittert van Valkenburg op nr. 32 de fraaie gevel in Louis XIV-stijl aanbrengen, die het pand nog altijd siert..

Wijnvaten

Pas in de 19de eeuw kregen de panden andere functies dan woonbestemmingen. In 1839 werd op nr. 32 een bewaarschool gevestigd en in 1849 kwam op nr. 30 de heer Nolet wonen, die passementwerker was: hij maakte borduursels, tressen en andere versieringen op kleding. Verder werden in die tijd op nr. 20 twee ‘cameren’ afgebroken ten behoeve van een manufacturenwinkel. Maar in 1892 kwam de grootste verandering, toen wijnhandel en distilleerderij Cornerell (in 1902 overgenomen door Wilhelm Richters) zich op nr. 20-22 vestigde. De zaken gingen voor de wind en al gauw verwierf Richters ook de panden op nr. 11, 32 en 30. Nog altijd bevinden zich in de kelders zeven grote houten wijnvaten en andere attributen van de distilleerderij. Ook in het huidige café Proeflokaal Het Gulle Gasthuys op nr. 20 staan nog enkele klassieke stookketels.
In 1975 stopte Richters haar activiteiten en een jaar later kocht Stadsherstel de panden. Ook nr. 40, een van de best bewaard gebleven 17de eeuwse woonpanden, werd verworven. Grondige verbouwingen en restauraties volgden, met als resultaat enkele stadswoningen, ambachtelijke ateliers en sfeervolle horecalocaties.

De Oude Molstraat was het eerste project van Stadsherstel, waarmee meteen een hele straat werd hersteld als een plek waar het ooit ontstane DNA van Den Haag in al z’n intimiteit nog voelbaar is.

Door:
Piet Bogaards

Privacy Settings
We use cookies to enhance your experience while using our website. If you are using our Services via a browser you can restrict, block or remove cookies through your web browser settings. We also use content and scripts from third parties that may use tracking technologies. You can selectively provide your consent below to allow such third party embeds. For complete information about the cookies we use, data we collect and how we process them, please check our Privacy Policy
Youtube
Consent to display content from Youtube
Vimeo
Consent to display content from Vimeo
Google Maps
Consent to display content from Google
Spotify
Consent to display content from Spotify
Sound Cloud
Consent to display content from Sound
WORD VRIEND